Opleiding

Bij de opleiding van reddingshonden wordt voortdurend gebruik gemaakt van de natuurlijke aanleg van de hond. De mogelijkheden van de hond worden echter voor het grootste deel bepaald door de beperktheid van de geleider. Om alles uit de hond te halen, alle mogelijkheden van het dier te benutten, zal er een geweldige band tussen hond en geleider moeten zijn. De geleider zal zijn hond volledig moeten vertrouwen, maar omgekeerd moet de hond goed weten wat hij aan de geleider heeft.

SONY DSC

Reddingshonden kunnen alleen tot het uiterste van hun vermogen gaan als ze plezier in hun werk hebben. Ze moeten opgewekt en vol enthousiasme hun taak uitvoeren. Dat heeft in belangrijke mate te maken met de instelling en het humeur van de geleider. Die is bepalend voor het werken van de hond. Er moet een duidelijke samenwerking tussen geleider en hond zijn, die gebaseerd is op wederzijds vertrouwen.

Een reddingshond moet beschikken over een goed gedrag, belastbaarheid, moed, doorzettingsvermogen en hardheid. Daarnaast uiteraard over ruim voldoende zoekcapaciteiten en werkdrift en een sociale houding ten opzichte van mens en dier.
De hond moet fysiek fit zijn en een goede conditie hebben. Verder moet de hond voldoende gehoorzaam zijn, waaronder wordt verstaan een met G & G of V.Z.H. vergelijkbaar niveau.

SONY DSC

Het spreekt voor zich dat er ook eisen aan de geleider worden gesteld, zowel geestelijk als lichamelijk.

SONY DSC

Tijdens de trainingen worden de diverse onderdelen van het reddingshondenwerk behandeld. Per training zal één specifiek onderdeel uitgelicht worden.

De volgende onderdelen kunnen worden onderscheiden:

Vlakterevieren
Bij vlakterevieren wordt geleerd een moeilijk begaanbaar of onoverzichtelijk terrein, zoals een heide- of bosgebied, als RH-team af te zoeken naar vermiste personen. De hond moet alle zittende, liggende en hangende personen in dat gebied aan de geleider kenbaar maken.

De belangrijkste verwijsmethoden zijn:

Bringselen
De hond krijgt een zogenaamd bringsel om de hals. Zodra de hond bij een slachtoffer komt, neemt hij het bringsel in de bek en gaat terug naar zijn geleider. Deze neemt het bringsel af en de hond brengt zijn geleider naar het slachtoffer.

Blaffen
De hond maakt door middel van blaffen duidelijk dat het slachtoffer gevonden is en maakt daarbij tevens kenbaar aan de geleider waar hond en slachtoffer zich bevinden. Hij blijft net zo lang blaffen tot zijn geleider bij het slachtoffer is.

Leegverwijzen
Hierbij maakt de hond door zijn lichaamshouding of een bepaald opvallend gedrag aan zijn geleider duidelijk dat hij iets heeft gevonden.


Puinzoeken

De hond wordt geleerd menselijke geuren onder het puin te onderscheiden en de vindplaatsen van slachtoffers aan de geleider duidelijk te maken.

De belangrijkste verwijsmethoden zijn:

Krabben
Op de plaats waar de hoogste geurconcentratie van het slachtoffer naar buiten treedt.

Lichaamsuitingen
Het verstarren van het lichaam van de hond, zwaaien met de staart, oordracht, gaan liggen of zitten op de vindplaats.

Blaffen
De hond maakt door middel van blaffen duidelijk dat het slachtoffer gevonden is en maakt daarbij tevens kenbaar aan de geleider, waar hond en slachtoffer zich bevinden.


Gehoorzaamheid en speciale vaardigheden

Er worden gehoorzaamheidsoefeningen aangeleerd onder diverse omstandigheden. Daarnaast moet de hond kunnen lopen door en over verschillende terreinen, o.a. puinhopen en verschillende hindernissen. Verder moet de hond ‘gedragen’ kunnen worden, in een draagzak of in de armen van de geleider. Ook  ‘abseilen’ wordt geoefend met de hond in een draagzak met of zonder de geleider.